De opa-lijn die hadden we alleen nog voor hem

Opa's telefoon Broca Media
Foto: broca Media
Column – Opa vertrouwde mobieltjes niet.

Ooit heeft hij van mijn moeder een prepaid gehad waar hij naar eigen zeggen een enorm bedrag aan beltegoed op had, maar dat was na een tijdje verlopen, weg, foetsie. Hij was woest. Mobiel bellen was vanaf dat moment in zijn ogen een manier om geld af te troggelen van arme burgers. Hij wilde ons ook niet meer bellen op onze 06-nummers. De nood moest dan wel heel hoog zijn.

Mijn vaste telefoon werd dus de opa-lijn. Opa had ook zijn eigen ringtone, een hele opa-achtige van “tralalalieda hoempapa.” Hij belde altijd precies op de momenten dat wij aan tafel gingen.

De voicemail bood geen soelaas. Hij praatte er altijd dwars doorheen. “Hallo? Hallo? Hier is opa. Ben je daar?” Het klonk dan altijd weer zo zielig dat een van ons zijn bord liet staan om op te nemen. Een gesprek met hem vereiste een bepaalde stemtechniek; niet te hoog en niet te laag en heel luid.

Nee

Vooral het woordje “nee” kwam niet altijd duidelijk door. Voor nee was hij sowieso Oost-Indisch doof. “Dus jullie komen morgen? Dat is mooi, ik heb lekkere kokosmakronen in huis”.

“Nee!!!! pap, we kunnen morgen niet!!!! doei, doei, tot morgen.” Tuut tuut tuut…

De keren dat wij opa zelf wilden bellen, was hij vaak niet bereikbaar. Dan lag zijn telefoon er niet goed op en moesten we zijn buren vragen om hem te waarschuwen. De herinneringen aan bel-gedoe met mijn vader gaan ver terug.

Toen ik zo’n jaar of negen was ontdekte ik de geinlijn van Max Tailleur met zijn Sammie en Mosie-moppen maar de weerlijn van Jan Pelleboer en de tijdlijn waren net zo leuk: “bij de volgende tik is 7 uur, 6 minuten en 3 seconden.” Mijn vriendinnetje en ik belden dan en deden die stemmen na.

Zakgeld

De speciale tarieven kwamen natuurlijk op de telefoonrekening terecht en toen het geld werd ingehouden op mijn zakgeld was de gein er snel af.  Een paar jaar later begon er een nieuwe bel-episode in mijn leven en wel die van de plaatjes aanvragen en de phone-ins. Ik luisterde naar radiopiraten in Amsterdam Noord.

De DJ’s kenden we van het zwembad en van de disco. Inmiddels hadden we een tweede telefoon thuis. Ik zal nooit vergeten dat ik midden in zo’n phone-in zat en ik de groeten aan het doen was aan een hele reeks vriendinnen, toen mijn vader er opeens dwars doorheen begon te schreeuwen dat ik op moest hangen. Ik schaamde me kapot natuurlijk.

Als ik met mijn vriendin lange telefoongesprekken had over bloedserieuze zaken, dan trok hij ook wel eens zomaar de stekker er uit. “Nou is het wel mooi geweest,” hoorde ik hem dan roepen.

Dolblij

Toen ik au pair was in Italië, belde ik wekelijks collect naar huis. Het waren nooit korte gesprekjes. Mijn moeder was er dolblij mee maar mijn vader had het jaren later nog over de torenhoge telefoonrekeningen van de maffia.

Bij het opruimen vonden we zijn oude telefoonklapper; de laatste uit de jaren 80 met zo’n alfabetje. Veel nummers waren doorgehaald met de nieuwe nummers erbij geschreven en sommige helemaal doorgekrast. Hij was zelf al jaren de laatste der Mohikanen.

Achterin stonden de contacten met een bijnaam. “Kromme” en “man van de van Wou” en “neger.” Dat waren mensen waar hij klussen voor deed. De neger was een hele aardige Amerikaanse fotograaf die alleen Engels sprak en een moeilijke naam had. Mijn vader maakte roestvrijstalen ringen voor hem, voor zijn lens. Als de neger belde, moesten wij meeluisteren om te vertalen.

Laatste bezoeken

Bij de laatste bezoeken aan mijn vader was mijn mobiel mijn redding. Ik liet hem foto’s en filmpjes zien van de kinderen om hem af te leiden en als hij sliep kon ik er even in wegvluchten.

De opa-lijn is opgeheven maar onze bel-historie blijft in mijn geheugen.